Dag 6, Pieken en valleien

Hiya!

Alhoewel de avond wat hobbelig begon met een wat sacherijnige barman, werd al snel duidelijk dat het gewoon een stugge Schot was. Na wat praatjes ontdooide de man en was het toch nog een leuke avond. Ondanks een wat vreemde kamer hebben we allebei prima geslapen en wanneer we wakker worden schijnt de zon, het belooft een mooie dag te worden. Gelukkig voel ik me een heel stuk beter dus dat is ook een zorg minder. Na weer een stevig ontbijt klimmen we weer in de auto en bespreken kort de route.

Het eerste stuk is bekend terrein, rond Loch Broom en dan slaan we af richting het kleinere broertje, Little Loch Broom. Ook dit is bekend terrein, maar wel heel erg mooi terrein. We stoppen kort op een uitkijkpunt waar we vorig jaar ook gestaan hebben, om dan rond Loch Ewe te rijden. Nu kunnen we de omgeving daadwerkelijk zien, anders dan de vorige keer toen we alleen maar regen hadden. Rustig zakken we af naar Shieldaig, waar we een kleine wandeling willen maken naar een loch met een gecrasht vliegtuig. We volgen de omschrijving maar vinden niets. Iets voorbij het punt ook niets en terug ook niet. Jammer maar helaas.

Doorgereden over de bekende route stoppen we bij de Victoria Falls. Vorig jaar had Ewout hier een regenponcho nodig, nu is het stralend weer en zelfs warm. Bij het service station in Kinlochewe hebben we een multifunctionele stop. Brandstof, koffie, en een sanitaire stop in een. Van de koffiedame krijgen we nog de tip om nog een klein stukje rechtdoor te rijden en te stoppen op het uitkijkpunt langs de weg. Uiteraard volgen we de tip en op het uitzichtpunt is het even stil genieten. Een schitterend uitzicht over de vallei en het loch in de verte, niet raar dat dit vaak gefotografeerd wordt.
Na de uitmuntende tip draaien we terug en genieten we van uitzichten die we vorig jaar gemist hebben. Niet omdat we de route niet gereden hebben, maar omdat het zo regende en bewolkt was dat we er niets van hebben gezien.
Het is een schitterend stuk weg met zulke mooie uitzichten! We kunnen bijna niet geloven dat we dit de vorige keer gemist hebben.

Bij Shieldaig (nummer twee, erg verwarrend!) draaien we een wit weggetje op. Het enige stukje weg van de North Coast 500 wat we nog niet gereden hebben. Het eerste stuk is erg mooi, zeker als Skye in zicht komt aan de overkant van de Inner Sound. De bergen zijn indrukwekkend om te zien vanaf deze afstand. Net rond een bocht krijgen we een geluksmomentje. Een hele kudde Highlanders staat midden op de weg en ze geven er niets om dat wij er langs willen. We maken heel veel foto’s en als we er dan langs willen, besluit een van de hooglanders onze auto te besnuffelen op zoek naar eten. Kruipend naar voren komen we er langs, zijn oor schuurt langs onze spiegel. Wat een supergeweldige ervaring!


De gids vertelde ons dat het stuk na Appelcross de moeite waard was om te rijden en daar had de gids gelijk in. In het ieniemienie dorpje Camusteel halen we in een net zo ieniemienie winkeltje wat te eten voor de lunch en dan draaien we een klein weggetje op. ’s Winters is dit over het algemeen niet te rijden en het is, gelukkig, niet geschikt voor caravans. We hebben het eerste stuk achter een nogal agressieve Engelsman gereden die geen zin had om te stoppen voor niemand. Zelfs motoren werden van de weg gedrukt. Blij dat we daar nu geen last meer van gaan hebben. Het eerste stuk is desolaat en tussen hoge bergen, tot we op het hoogste punt komen. Het is vreselijk winderig, maar vreselijk mooi. Dan rijden we naar beneden, en krijgen zicht op de weg onder ons. De Stelvio-pas is er helemaal niets bij. Niet veel mensen zouden hier af durven. Single track road zonder een echte vangrail en een steile afgrond naast je. Het is een schitterend stukje weg en het zicht op het loch beneden is nog mooier.

Eenmaal beneden zitten onze oren dicht door het hoogteverschil, maar kunnen we er niet over uit hoe gaaf dat laatste stuk was. Het volgende stuk rond Loch Carron gaat een beetje aan ons voorbij en terug op de A-weg merken we dat we best wel moe zijn. Het ritje door Glen Shiel is schitterend maar we kunnen wel wat koffie gebruiken. We stoppen naast Eilean Donan Castle bij een koffiezaakje, we weten van vorig jaar dat ze er goede koffie maken. Na de koffie besluiten we wel om in een keer door te rijden naar het hotel, het is en lange dag geweest. Hier en daar stoppen we nog even voor een foto van het uitzicht maar elke keer maar voor een minuut of wat.

Dan het laatste stukje weg van de dag. Langs de niet-toeristische kant van Loch Ness omhoog, ook hier hebben we de eerste keer niet veel gezien door druilerig weer. Het is erg verlaten, maar belangrijker, we zien een bord dat morgen de weg is afgesloten voor een marathon. Na de initiële verbazing dat je hier een marathon kan lopen, vragen we ons af wat dat voor ons inhoudt. Dat weet de dame van het hotel ons te vertellen. De keuze is, of voor 7 uur weg, voor de start van de marathon, of na 11 uur, als de meute voorbij is. Optie drie is voor 9 uur de verkeerde kant op, terug naar Inverness. Dat wordt wel erg ver omrijden, dus dan zullen we moeten wachten tot de marathon voorbij is. Geeft ons de kans om de waterval in het dorp te bezoeken, die hadden we uitgesteld omdat we allebei wel moe waren.

We droppen onze spullen op de kamer, nou ja, het is meer een sauna. De vorige gasten blijken, illegaal, aan de thermostaat te hebben gezeten. De eigenaar komt aangesneld om het te fixen, maar warm blijft het. Terug naar de bar en eerst een drankje. Dan een overheerlijk bord curry en uiteindelijk zitten we de halve avond te praten met twee jonge dames uit Londen. Wij geven vooral hun tips, zij gaan morgen de route rijden die wij hebben gedaan, maar dan in omgekeerde richting. Ze zijn blij met onze adviezen en willen allemaal nog wel doorkletsen, maar dan vind de eigenaresse het genoeg geweest. Ze moet vroeg op in verband met de marathon en dat is ook geen punt. We wensen iedereen goedenacht en vertrekken naar onze kamer. Iets minder heet maar nog steeds bejaardenwarm. Het is niet anders. Nog een kopje thee en dan lekker naar bed. Gelukkig hoeven wij de marathon niet te lopen!

See ye later!

Dag 5, Aan het eind, de regenboog

Hiya!

Dat was wat vroeg. Het bed lag niet heel lekker, waardoor we om 7 uur al op waren. Het zal ook vast iets te maken hebben met de holte-ontsteking die ik heb ontwikkeld, maar dan nog was het vroeg. Aan het personeel lag het absoluut niet, maar dit hotel zal niet in de top 5 terecht komen. Het ontbijt was verder prima en na een korte stop in het enige hoekje met wifi hebben we uitgecheckt. In een kort gesprekje met de dame van de receptie konden we haar nog een tip geven over de ruïne van gisteren, waar ze nog nooit van gehoord had. Pluspuntje voor ons, een Schot iets vertellen over haar eigen land.

In de auto checken we nog snel onze besloten route. Eerst een stukje bekende weg naar Helmsdeep, oh nee, Helmsdale, om daar af te buigen op een klein weggetje naar Kinbrace. We zijn diep in de Highlands en hier is bijna niets meer. Heel veel snel stromende watertjes, afgewisseld met loslopende schapen en desolate uitzichten. De “single track road” leidt ons helemaal naar de noordelijke kust door niets en niemandsland. Vandaag hebben we iets minder geluk, geen herten of ander wild te zien, naast de stoïcijnse schapen dan. We bereiken weer een A-weg en gaan nu een route rijden die we de allereerste keer ook gereden hebben. Toentertijd reed ik, en was Ewout nogal jaloers. Dit keer rijdt hij en het blijft een verschrikkelijk mooie weg.

Vooral het stuk langs Loch Eriboll is zowel mooi om te rijden, als mooi om te genieten van de uitzichten op het loch en de bergen erachter. Het lijkt extreem verlaten hier, maar hier en daar duiken er ineens toch huizen op, en afgaande op de autootjes, bezorgt de Tesco hier ook gewoon. Het zal vast wat kosten maar dan heb je ook wat.

Na het loch rijden we door naar een heel klein plaatsje hoog in het noordwesten van Schotland. In onze “Wild Guide” hebben we iets zien staan over de meest afgelegen chocolatier in Europa. Het dorpje Balnakeil stelt zelf helemaal niets voor, afgezien van een schitterend uitzicht op zee. In een zijstraatje is een klein pleintje met allemaal craft shops. Een daarvan is Cocoa Mountain, de chocolatier in kwestie. Een piepklein zaakje met werkruimte, maar bomvol toeristen. Het ruikt er heerlijk en uiteraard nemen we de famous hot chocolate met een proeverij van chocolaatjes. Het enige wat er nog van over is, is de foto, maar zelfs die ziet er overheerlijk uit. We verbazen ons nog even over de cafékat, maar daar verbaast ook de meneer achter de counter zich over. Blijkbaar is het een buurtkat die elke dag komt aanwaaien, de hele dag een kruk bezet houdt zonder ook maar om te kijken, en af en toe vuil naar de buurhonden kijkt. Om de barman zelf te quoten, na de Apocalyps zijn de kakkerlakken nog over, en deze kat. Waarschijnlijk heeft hij nog gelijk ook.

Het weer is wat minder geworden, maar dat is met een trui aan prima te doen. De weg zakt weer af naar het zuiden en voor ons gevoel rijden we over het dak van de wereld, of de maan, maar dan met water. Vlak voor Unapool worden onze beide ogen wat zwaar dus dan maar een kort hazenslaapje op de parkeerplaats. Op deze wegen wil je niet te moe zijn om op te letten. Na het slaapje steken we de brug over bij Kylestrome. Een hele mooie brug met schitterend uitzicht op de bergen erachter.

Net na Unapool buigen we af op een route die we de vorige keer niet hebben kunnen doen door tijdgebrek. Op sommige stukken is het 25% steil naar beneden en we zijn blij dat de route is aangemerkt als ongeschikt voor bussen, die wil je hier gewoon echt niet tegen komen. Gelukkig rijden zelfs de locals hier niet idioot hard, en stoppen ze af en toe ruim van te voren zodat we in een keer naar beneden kunnen. Het landschap is hier bizar en bijna buitenaards. We rijden door tot Stoer, en dan nog een klein stukje verder naar de vuurtoren. Helaas is de truck waar we wat wilden drinken gesloten in het naseizoen, dus waaien we alleen even uit en stappen we de auto weer in.

Iets verder bij Lochinver gaan we weer een wit weggetje in en wat was dat een goede beslissing. Alsof we over Mars rijden, met het ene na het andere mooie vergezicht. Hoge bergen met kleine meren ervoor, de zon die net de punten van de bergen verlicht en zowel voor als achter ons ligt een adembenemend mooi landschap. Over het relatief kleine stukje doen we heel lang, omdat we gewoon bij elke bocht even moeten stoppen om te kijken naar het uitzicht. Bijna terug op de doorgaande weg krijgen we het toetje van vandaag: zon in de rug en een driedubbele regenboog recht voor ons. De bergen zijn rond de 800 meter hoog en de zon licht ze uit als sterren op een podium. We zijn er beiden stil van. Het lichtspel, de regenboog, de donkere wolken daar net achter. Wat een afsluiter van de dag.

Even kort gas geven en we zijn in Ullapool, en zonder moeite vinden we ons hotel. We zijn vroeg vertrokken en laat gearriveerd dus we kunnen eigenlijk gelijk aanschuiven voor het diner. Voor een wat beschut hotel is het er best druk en we vermaken ons prima. Morgen zakken we verder af naar Loch Ness, uiteraard via allerlei omwegen. Duimen dat de ontsteking morgen wat gezakt is en dat we morgen weer van die mooie dingen gaan zien.

See ye later!

Dag 4, onverwachte verrassingen

Hiya!

Het Glen Hotel voldeed aan onze verwachtingen: heerlijk geslapen, een goede douche en vers gemaakt ontbijt. Ewout was in de zevende hemel, het ontbijt had zowel black pudding als haggis. Het was ietsje later dan normaal, maar na een stevig begin van de dag gingen we weer de auto in. Snel even tanken en op naar Grantown-on-Spey. Daar hebben we een adresje voor pie, heerlijk om mee te nemen voor lunch.

We doen ons eerst te goed aan een goede kop koffie en een sanitaire pitstop, voordat we onze lunch meenemen. Het duurt nog even voordat we het opeten, maar ondertussen vult de geur van chicken pie en pulled pork de auto. Zo fijn dat je inmiddels na meerdere trips dit soort adresjes weet. Na de bakker gaat de route verder omhoog, door de miezerregen naar Dava. Het een gehucht noemen is nog te veel van het goede, we rijden er dan ook eerst straal voorbij. Niet dat het ‘dorp’ bijzonder is, maar het is de plek waar we van de ‘doorgaande’ route afgaan. Ook dat is nogal sterk uitgedrukt, doorgaande wegen zijn in deze contreien niet veel meer dan de Stompwijkse weg bij ons.

Op onze grote kaart is dit een wit weggetje zonder wegnummer. Oftewel, te klein om echt een naam te hebben, maar des te leuker om te rijden. We rijden met onze wielen zowat in het water van Lochindorb, al moeten we toegeven dat er op de weg bijna net zoveel water ligt als er in het loch zit. We komen bijna geen ziel tegen en de bergen om ons heen zijn wit van ofwel wolken ofwel mist. Het geeft een bijzonder spookachtig gevoel aan het ritje. Halverwege rond het loch komt de ruïne in zicht waarvoor we deze route namen. Het blijkt een ruïne op een eilandje middenin het loch te zijn. Met het weer op de achtergrond zie je de voormalige bewoners bijna lopen.

We rijden het loch voorbij en gaan weer noordwaarts, richting de genummerde wegen. Het is een leeg landschap om ons heen, precies zoals we het mooi vinden. We laten de A-weg links liggen en nemen een ander wit weggetje om recht onder het Culloden Viaduct uit te komen. De spoorbrug die we vorig jaar in de verte zagen liggen, kunnen we nu aanraken. Eronder staand komt pas binnen hoe groot en vooral hoog het viaduct eigenlijk is. Tussen de regendruppels door schieten we een paar mooie foto’s, om daarna de rest van de route te bepalen.

Inverness kunnen we niet omheen, dan maar dwars er door. Even de A-weg op, zodat we hem zo snel mogelijk weer kunnen verlaten. Na Inverness doen we een rondje over the Black Isle, dat hadden we nog niet eerder gedaan. We ronden de Cromarty Firth en buigen weer af op een kleiner weggetje. Aan het einde van de weg stoppen we nog voor een 180 graden uitzicht over Dornoch Firth. Het wordt wat kouder en ik trek maar een trui aan. We hebben ze niet voor niets bij ons. Ewout wilde graag langs een plekje genaamd de Falls of Shin en via een single track road komen we ineens op een open plek met een grote parkeerplaats.

Het is een klein stukje steil naar beneden, maar het is het waard. Een kolkend stukje rivier met een kolkgat en een enorm kabaal. Terwijl we het statief aan het opzetten zijn, zie ik ineens iets in het water beneden. We kunnen een item van onze bucketlist afhalen, want we zien springende zalmen. We zitten blijkbaar precies in het seizoen waarin de best grote zalmen proberen tegen de waterval op te springen, om terug naar rustige wateren te gaan waar ze hun kuit af zetten. Binnen een paar minuten hebben we er al meerdere gezien en zelfs een op de foto staan. Een onverwachte verrassing aan het einde van de dag. Het is ook gestopt met regenen en we zien zelfs een mager zonnetje verschijnen.

In het bijbehorende café nuttigen we nog een drankje om daarna de Falls achter ons te laten. Het wordt tijd om richting hotel te gaan. Nog maar een klein stukje, maar ook een mooi stukje. Zonder moeite vinden we onze slaapplaats en checken we in. Weldra zitten we beneden in de bar, al is het erg stil. In het restaurant is het wat drukker, dus verhuizen we. Het eten is ok, maar niet bijzonder. Toch vermaken we ons prima, kletsen wat met de gasten en de serveerster. Morgen gaan we naar het noorden, het echte desolate land in. We hopen dat het wat minder grijs is, maar als dat niet zo is, is het ook geen probleem. Zometeen lekker slapen en morgen gezond weer op.

See ye later!

Dag 3, de hoogte in

Hiya!

In eerste instantie was het vannacht wat warm in de kamer, de verwarming stond namelijk vol aan. Dus verwarming uit en raam open, en we hebben verbazingwekkend goed geslapen. Met een geweldig uitzicht op de rivier de Tay smaakte het ontbijt net iets beter. Het Kenmore hotel is goed, het ontbijt middelmatig. Toch was het genoeg om ons te vullen en na het afrekenen gaan we de auto weer in. Nou ja, vlak voordat we weg rijden rent Ewout nog even terug, om de kamersleutel nou mee te nemen is ook weer zo wat.

Vandaag is een dag van oude liefdes waar we graag nog een keer terug wilden komen. De route leidt ons over de standaard weg naar Pitlochry, vanwaar we een klein stukje onbekende route nemen. Een van de redenen dat we hier nogmaals naar toe wilden is vanwege de bergpas langs twee skigebieden, met de toepasselijke naam “Devil’s Elbow”. Vorig jaar kwamen we hier per toeval terecht en fotografeerden we er een standing stone met een bijzonder gedicht. Niet wetende dat de pas zo mooi was, reden we hem twee keer, vanuit beide richtingen. Toen al vonden we de route voor herhaling vatbaar en vandaag was die herhaling.

Het weer was wat grauw en op het eerste gedeelte van de pas hing zelfs redelijk dichte mist. Het gaf het geheel een mysterieuze sfeer, wat de ervaring een extra tintje gaf. Na het eerste deel van de pas stopten we in Braemar, voor koffie en een pitstop bij de lokale super voor de lunch. De koffie was straf en het dorp overspoeld door een tourbus vol Duitsers. Niet dat dat nou zo erg is, ware het niet dat we die tourbus zo’n drie keer hebben ingehaald op de weg naar Braemar toe. De gekochte lunch werd genuttigd bij eerder genoemde standing stone, genietend van het uitzicht, met regen zachtjes tikkend op het glazen dak. Ja, het is Schotland en ja, hier regent het af en toe. Op die manier komt het land zo groen. En wat er nu valt, valt morgen niet. Daarbij voelt het een beetje als voor de eerste keer romantisch kamperen.

De regen blijft een beetje vallen terwijl we de rest van de pas afrijden. We tuffen door tot aan Tomintoul en buigen dan af de kleine weggetjes op. Dwars door Speyside en langs meer distileerderijen dan je kan tellen. De één een enorme tourist trap, de ander niet meer dan een stokerij met een bijgebouwtje. We blijven ons verbazen over de uitzichten, en blijven opletten op de kleine weggetjes met weinig zicht. Plan voor het laatste deel van de dag is om naar de Cairn Gorm toe te rijden, de berg waar het hele gebied naar vernoemd is. In de winter een zeer populair skigebied, in de (na)zomer vooral populair onder wandelaars. Stevig klimmend kunnen we tot aan de ingang van de stoeltjeslift komen, waar een bijna lege parkeerplaats op ons wacht. Het uitzicht, niet alleen op de berg maar ook op de strath aan de voet is schitterend. Die paar druppels regen deren ons niets.

Terwijl Ewout nog een mooi watervalletje op de foto wil gaan zetten, haalt hij nog een kleine stunt uit. Lopend op de trap naar beneden wil hij de dop weer op de lens (van de camera, red.) zetten, maar laat deze vallen. Uiteraard door de spijlen van de trap, op de donkere aarde eronder. Het kost wat zoeken, maar gelukkig vinden we de dop wel weer terug. We zakken de berg weer af en nemen nog wat foto’s van de oever van het loch, dit keer met uitzicht óp de berg.

Beiden zijn we moe aan het worden. Dat is ook te merken als we niet veel later een close encounter hebben met een nogal groot uitgevallen truck volgeladen met boomstammen. Het scheelt niet veel, maar we komen er zonder kleerscheuren vanaf. Tijd om naar het hotel te gaan en een drankje te doen.

Overigens is ons hotel de tweede liefde waar we naar toe gaan vandaag. We hebben er tijdens onze vorige twee reizen gegeten, maar nooit geslapen. Het eten is er altijd goed, de sfeer is gezellig en dus wilden we er dit keer ook slapen. The Glen Hotel in Newtonmore is nog niet echt vol als we aankomen, maar dat duurt niet lang. Het is goed dat we bij aankomst een tafel hebben gereserveerd. Het eten is nogmaals fantastisch, Ewout is in de zevende hemel met zijn black pudding and poached egg als voorgerecht en ondergetekende heel blij met de keuze om dit keer wel de sticky toffee pudding als dessert te bestellen. We ploffen allebei zowat, maar dat was het waard.

Nu nog een laatste kop thee en de route voor morgen bepalen en dan gaan we lekker slapen. Even duimen dat morgen de regen snel ophoudt, maar dat komt vast wel goed.

See ye later!

Dag 1 & 2 De troubadour deel 2 en Edinburgh poging 3

Hiya!

De reis is weer begonnen, op naar de boot en Schotland in het verlengde daarvan. Na de laatste plichtplegingen thuis, het inpakken van de auto en het afgeven van de sleutels aan onze lieve oppas kan de vakantie beginnen.

Keurig op tijd komen we bij de boot aan. We zitten bijna in het laagseizoen, dus sneller dan we verwachten staan we met onze spullen aan boord. Dit jaar hebben we besloten om wat meer uit te geven aan de bootreis, zodat we een iets comfortabelere hut hebben dan een hok met stapelbedden. Bij aankomst bij de kamer worden we zelfs verwelkomd door een dame van het personeel, en zelfs de minibar is inclusief. Na even uitwaaien aan dek gaan we voor ons eerste drankje naar de bar. Het is hopen dat de troubadour van deze avond niet zijn voorganger nadoet, want dan wordt het een hele lange avond. Wat we er nu van mee krijgen lijkt hij een stuk beter, maar de avond moet uitwijzen of het daadwerkelijk zo is.

We zwalken wat over de boot, kijken hoe we de haven verlaten, en doen nog een drankje. Een warme chocomel is best lekker na de koude wind aan het dek. Nog maar een rondje over de boot, langs de giftshop en een broodje eten in de hut. Inmiddels zijn we op open zee en de boot gaat best heen en weer. Ondergetekende begint langzaam zeeziek te worden en helaas wordt het niet meer beter.

Gelukkig is de troubadour een heel stuk beter dan zijn collega van vorig jaar. Hij kan zingen en heeft een veel moderner repertoire. Jammer dat hij pas na negenen begint, wanneer wij al wat moe worden. In de tussentijd vermaken we ons met mensen kijken, altijd een leuk tijdverdrijf.

Tegen tienen zijn we echt moe, we waaien nog even uit maar gaan daarna naar bed. Ewout slaapt al snel, ik lig te schommelen in mijn bed. De zeeziekte speelt me parten en echt slapen komt er niet van. Rond half 7 ben ik klaarwakker en ga ik er maar uit. Dan maar van het uitzicht genieten. De wekker gaat om half 8, en Ewout is verrast dat ik al op ben. Niet veel later zitten we aan het ontbijt. Toch best wel lekker dat we dit keer aan boord kunnen ontbijten.

Het aanmeren in de haven duurt altijd lang, maar een pluspunt is dat we al vroeg naar de auto kunnen. Dus koplampstickers opplakken en wachten tot we de boot af mogen. Ondanks dat de boot niet vol zit, duurt het uitschepen lang, en ook de paspoortcontrole lijkt langer dan normaal te duren. Voordeel, dit keer kunnen we direct naar Schotland, we hoeven niet eerst Newcastle in. Na een klein tukje in de auto (niet Ewout, die was wel wakker) zijn we bij de grens, waar we even kort de benen strekken. Op naar Edinburgh, voor de belangrijkste boodschap deze reis.

Het is druk in de stad, maar we weten waar we heen moeten. Niet geheel toevallig het allerdrukste stukje van de stad maar ach. Bij winkel 1 hebben ze de stof niet, maar ze sturen ons door naar het adres waarvan we al dachten dat we daar moesten zijn. Door hoge nood gaan we eerst lunchen in het café op het dakterras. De tomatensoep smaakt goed, de hulp van het personeel bij het vinden van de stof is nog beter. Voor praktisch dezelfde prijs wordt mijn sash ter plekke gemaakt door de kiltmaker, en na 20 minuten wachten hebben we meer dan we wilden.

Terug in de auto valt het verkeer wat tegen. Eigenlijk zijn we iets te laat de stad uit gegaan, dus we komen in de avondspits terecht. Het is niet te vergelijken met thuis, al zijn we het wel net zo snel zat. De bewegwijzering laat aardig wat te wensen over en levert ook aardig wat frustratie op. Samenwerkend komen we de stad uit en op de goede route naar het noorden. Nog eenmaal stoppen we, om de majestueuze Kelpies te aanschouwen. Twee metalen paardenhoofden van 30 meter hoog en behoorlijk indrukwekkend. Nu moeten we alleen wel wat tempo gaan maken om nog op een redelijk schappelijke tijd bij het hotel aan te komen.

Ewout kan zich nog even totaal uitleven op de kleine weggetjes en het vertrouwen in elkaar wordt weer even getest. Het voelt bijna als een training in rally-rijden. Het is bij half 8 als we bij het hotel aankomen en we duiken snel de pub in. Eerst een kop koffie, (de eerste van de dag, hoofdpijn!) en dan wat eten. Voor mij beweegt alles nog steeds, gelukkig gaan we op de terugweg via Dover. Nog een slaapmutsje en dan lekker slapen. Morgen beweegt de wereld vast wat minder, en worden de uitzichten mooier.

See ye later!

Flash Fiction Challenge: It Starts With A Bang

*************************************************************

Friday, so story time! This week a long overdue part three. I started this story a long way back. First was ‘Knock-knock, who’s there?’ followed by ‘Must contain a map’. When I originally started this story it was meant to be three subsequent stories, but after part two something came in between (life, basically). The third challenge was to start with a bang, so this is; ‘It starts with a bang’. And now, it is done! I’m very happy with it, and I hope you like it too!

*************************************************************

It starts with a bang

The loud bang sounded in the forest not far from the table where they had been making plans. Sam, Theo and Leah jumped up, and Sam let out a howl to make the wolf pack assemble. Within minutes all of the werewolves were together in the clearing. Sam did a headcount and was sure everyone was safe.
“Leah, are you and Theo ok?” he asked his vampire friend.
“Yeah, we’re both unharmed. Shall we go take a look what happened?” Sam nodded to Leah. He instructed his Beta to hold the pack together and safe, before taking off in the direction of the bang.

Before they were even halfway, another bang sounded through the forest. The three caught the blast wind and it knocked Theo back. Sam picked him up and checked him.
“You ok?” he asked.
Theo gave a wry smile.
“Yeah, it caught me off guard. Not as steady on my feet as I thought I was. Thanks for helping me up.”
Leah had to suppress a smile, those two were really hitting it off. She knew bringing Theo and his cute face had been a good idea. Not that she had expected a bomb going off in the midst of their plan-making, but still.

Sam’s excellent sense of smell brought them to the spot where the first blast had gone off. Theo’s senses as a mage immediately reacted and he tapped Leah on her shoulder.
“We’re not alone.” he whispered to his best friend.
“I know, and one of them is hurt, I smell blood.” Leah’s fangs extended and Theo could see the bloodlust in her eyes. Even though he had seen it thousands of times, he was still amazed by the traits of vampires.

The unconventional trio saw only evidence of an explosive blast, but nothing more. Sam held his head up and sniffed the air.
“A little further up ahead is the site of the second blast. It smells weird, not like this one. I smell salt and soap, no idea what can make such a smell.” Sam led the way.
Leah, Theo and Sam had expected a lot of sights but not the one they stumbled upon when they reached the site. The whole forest around them was covered in glitter, big and small, creating the illusion of a hundred disco balls being shone upon.

“What the hell happened here!” Leah yelled. When she concentrated she now saw that dozens of small pixies were floating around and dancing. An eerie high pitched sound rose from the tiny creatures, but when the pixies caught sight of the intruders, the dancing and singing stopped. The head of the pixies floated towards the trio.
“Who are you and what are you doing here?” the pixie asked them.
“I am Leah, and these are Theo and Sam. We heard a blast and got concerned about what had happened. Am I right to assume you are a pixie folk?” Leah knew she had to tread carefully with these creatures. They looked like docile tiny fairies, but knew they could turn aggressive and attack en masse.
“Yes, we are pixies, we live in these forests. I believe we share it with Sam’s werewolf pack. No problem, all peaceful.” the pixie answered.
“Alright, miss. But now we are really curious what happened here. One of your pixies is injured, I can smell it.”
“Ah, yes. The vampire smells the blood. It is but a scratch. And it is you who gave us the idea for this.” The pixie turned to the forest.
All three of them had no idea what the pixie was talking about. Looking around to the glitter-covered trees, Theo started to suspect something.

“Some of us were taking a field trip to the ocean. Normally we don’t venture out into those areas but it is a spectacular sight, we have to visit it once in a lifetime.” The pixie was clearly reliving her own visit, and by now, Leah had understood where this was going.
“There they saw the werewolf attacking you, vampire Leah. But what followed inspired us to do this. When you were standing in the ocean, an explosion of glitter erupted and the pixies thought it was beautiful. So we went shopping and we repeated it here. With a little help of small explosives and glue, we now have our own glitter forest!”

Theo was almost snorting, trying to hold in his laughter and Leah had a sour face, remembering the events of the early night. Only Sam was still in the dark about what happened.
“Leah, can you please explain what happened exactly? I have the strong feeling you didn’t give me the whole story about that attack.” He wasn’t mad, yet.
“Please promise me you won’t laugh, like Theo here.” She playfully pushed Theo, who couldn’t hold in his laughter anymore.
“I had just done some shopping for Theo, you know, craft supplies and stuff, and then I got attacked by the wolf. We scrabbled around a bit before he threw me into the ocean. Then he started to throw things at me, he had pulled stuff out of my shopping bags. When he ran out, the things exploded.” Leah stopped for a second, and by now Theo was in a hiccoughing heap from laughing so hard.
“It turns out, when you throw these bath bombs in salt water, they behave like actual bombs. Sadly, these weren’t normal bath bombs, they were filled with glitter.”

Sam was breathing very shallow from holding in his laughter. Theo was steadying his breathing so he could talk again. Leah crossed her arms, she was still embarrassed and slightly mad about it.
“She turned up back at the house, completely soaked and covered in glitter, it was hilarious!” Now both men fell into each other’s arms and just laughed out loud. Leah was tapping her foot, hoping they would stop soon. It took a couple of minutes before the laughing died down.
“Alright, that’s enough boys. It wasn’t that funny. We have other things to do.” She was done with the shame.
“I’m sorry, Leah. You’re right, it’s not that funny.” Sam held down a giggle. He turned to the pixie. “I do hope this was the last time you folk are fiddling around with explosives.”
The pixie smiled. “We will not do this again. We are very happy with our home now. And feel welcome to visit us again.” She returned to the others for more dancing and singing.

“Now, let’s get back to the job at hand,” Leah said to Sam as they made their way back to the home of the wolf pack, “But we do have to pencil in the pixie home on the map too. Let’s try to keep them in those woods before they mimic something else.”
“Can’t agree more! I’m just happy it was only a glitter bomb this time.”

Flash Fiction Challenge: Twenty Random Titles

*************************************************************

It’s Friday! And you know what that means, storytime! Another flash fiction challenge, this time I had to pick a title from a list and this one spoke to me. For some reason, I almost immediately thought of the catacombs underneath Paris. It was fun to write and I hope you enjoy reading it as much as I liked writing it. Have a good weekend and happy reading!

*************************************************************

Two skulls

“How many times have you been patted on the head to see if you were real?”

“I’ve stopped counting, I got fed up,” skull John turned to his friend. “Since they opened up the catacombs I’ve decided to just roll with it. No point in getting irritated with the tourists, they’ll keep coming and it’s not like we’re going anywhere soon.

The other skull, Bob, had to agree with him. “I know we’re not going anywhere, I have endlessly tried to pry myself loose from this stack but so far, no luck.”

Both skulls sat atop a big pile of bones, in one of the most iconic catacombs of the world, Paris. Stacked there to deal with surplus from the graveyards above, and since the end of the 19th century as a tourist attraction. But lately, it had become increasingly busy with tourists from all over the world. Why, the skulls didn’t know, as they had no clue what was happening in the world above their heads. It didn’t make their lives any easier, no eternal rest for these underground remains.

“No limits, what would you wanna be or do if we weren’t stuck here? Would you have liked to rot away in the ground?” Bob asked his eternal neighbor.

“With all those creepy crawlers digging around, no thank you! I think I would’ve liked to become a Diá de Los Muertos skull. All decorated and paraded around once a year. Keeps you in touch with the world around you.” John said, already drifting away in a daydream.

“Really? Although those sugar skulls are beautiful, I must say.” Bob replied, “I would’ve liked to be a research skull or something. Displayed in a classroom or a museum. Looking at the world without the world constantly touching me…” Both skulls sunk away in their own fantasy world.

The next morning it was an early rise for the inhabitants of the catacombs. Tours started around 8.30 to accommodate all the tourists visiting the famous site. Most of them were just there for the sensation, others were hoping to see a ghost or have a spiritual encounter. In almost ninety percent of the cases, it were the remains and skulls playing tricks on the tourists. Try lying there for so long and not get bored with yourself.

John also had a particularly tough morning. He had been dreaming about a better life all night and was now bummed out with reality. The first flock of tourists flowed into their chamber and John’s irritation grew. The photographs, the flashing lights, people taking photos of themselves with the skulls. All the languages, the screaming children testing the echo, the litter being thrown. He was beyond fed up with it.

John wrestled through the rest of the day, trying to form a plan in between the frustration of the tourists. By the time the tours were over, John still didn’t have a plan. Frustration was passing into anger and that was passing into madness. He was tired, done, spent. With all his strength he pushed against the bond that was holding him there. It woke all of the other inhabitants of the catacombs. Some screamed at the noise, scared of what was happening, but others rooted for John. He clearly wasn’t the only one fed up with the place.

The cheering gave him renewed force and John kept pushing and pulling. It took him all night, but just before dawn, John broke clean of the pile. He took a dive forward, broke a couple of teeth and cracked the roof of his skull. But he was free! Finally released from the pile and all of his unpleasant neighbors.

John kept still for a couple of minutes, thinking about what to do next. He never expected to succeed so he had no next step prepared. Then he rolled himself over to a more hidden spot. Now he had to wait for the first tour. When the tourists flowed in, John picked a suitable couple and strategically rolled himself against the foot of the man. What happened next was a dream coming true for John. The man saw an exceptional opportunity. He looked around for witnesses, then bent over to tie his shoelace. With the slyness of a thief, he grabbed the skull and stuffed it in his bag.

A week later John was in a bookcase halfway across the world. Safely hidden away from eager children’s fingers and positioned directly in front of the TV. He was trying hard to catch up to the world he could see outside the window, but being cooped up so long underground he had missed a lot. Only now, John had all the time in the world to do so, and he was finally happy with his resting place.

Back to top