Bella was een mooie en grote paraplu, geschilderd in alle kleuren van de regenboog. Ze hield haar eigenaar droog en bewaakte haar voor de wind.

Maar Bella was niet gelukkig. Wandelend door de stad en pratend met andere paraplu’s werd duidelijk dat Bella een unieke kijk had op de wereld.

“Hoi Bella! Hoe is het met je?”, vroeg Vicky, een zwart-witte opvouwbare paraplu.

“Ach weet je, nog steeds in de wind en regen, altijd koud. Hoe is het met jou?” Bella keek haar aan.

“Zulk mooi weer! Hou je er niet van? Dit is waar we voor gemaakt zijn! Ik hou van de regen op mijn huid, het kietelt als de druppels naar beneden rollen. Ik word depressief in de zomer, maar dan begint de herfst en ik ben weer helemaal blij! ”

Bella zuchtte en was blij dat haar eigenaar het tempo versnelde. Praten met andere paraplu’s maakte haar altijd depressief. Ze leken allemaal zo blij met hun baan en Bella was altijd een buitenbeentje. Niemand begreep haar en ze voelde zich helemaal alleen.

Ze keek altijd uit naar de zomer, maar nooit werd ze meegenomen om te genieten van de zon. Nooit was ze gebruikt om haar eigenaar uit de zon te houden, terwijl dat haar ultieme droom was.

Als de zon op haar huid viel, waren haar kleuren mooi en levendig, ze voelde zich warm en gelukkig. Bella was verdrietig dat ze niet was geboren als een flitsparaplu, dat leek haar een droombaan. Binnenshuis, altijd warm, vooral met die flitsen die je huid raken en kijken naar al die mooie mensen. Maar ze was er niet een en ze zou er nooit een zijn.

Thuis blijven was ook deprimerend. Staande in de hoek van die koude gang, geen ziel om mee te praten. Bella haatte haar leven en hoopte dat het spoedig zou eindigen. Ze wist dat ze depressief was, maar kon geen oplossing bedenken.

Op een dag, toen het weer echt slecht was, nam haar eigenaar haar mee uit in de zware regen en wind. Bella was het zo zat met de regen, ze voelde zich zo depressief en alleen dat ze een beslissing nam. Ze bewoog een beetje rond en in een flits was ze binnenste buiten gekeerd.

Onmiddellijk voelde ze zich beter, hoewel haar eigenaar niet zo dacht. Ze hoorde vloeken en de regen op de eigenaar landen. Het was niet gepast, maar ze lachte. Voor het eerst in jaren lachte ze. Terwijl ze in de prullenbak werd gepropt lachte ze nog steeds.

Op de vuilnisbelt werd ze gesorteerd en kwam in de rij voor de verbrandingsoven terecht, maar ze lachte nog steeds. Eenmaal in de oven was ze eindelijk warm en gelukkig terwijl ze verging tot as.